Selecteer een pagina

Met mijn kunst wil ik mensen wakker maken

Nadat ze zich los had gevochten uit het streng gereformeerde gezin waarin ze was grootgebracht, belandde ze als punker op de barricaden. En daar staat Jackie Sleper nog steeds: met haar kunst roept ze op tot revolutie. Weg met uitbuiting, met onderdrukking, met ongelijkheid. Met de kwast in de hand probeert ze een mooiere wereld te creëren. INVITED zocht deze kleurrijke vrouw op in haar eigen museum in hartje Utrecht.
TEKST: BART-JAN BROUWER

In 1962 kwam ik als Jackie Hoek ter wereld in een streng gereformeerd gezin in Amsterdam. Mijn vader was schoenontwerper. In zijn werk was hij de big boy, maar thuis was hij heel streng. Hij was altijd op zoek naar God, versleet meerdere religies en werd uiteindelijk baptist. Voor mijn moeder was het een zware dobber en mijn twee zussen, broer en ik hebben er ook behoorlijk gedoe mee gehad. Omdat ik niet in de schoolbanken wilde zitten, deed ik van mijn twaalfde tot mijn zeventiende een opleiding aan de Lagere Land- en Tuinbouwschool. Daarna ben ik het huis uit ‘gevlucht’. Ik heb me echt los moeten vechten, daarom ben ik ook heel radicaal geworden. Ik ben een enorme punker geweest. Mijn lange donkerblonde haar verfde ik helemaal zwart en later heb ik me ook kaalgeschoren. Die tijd heeft me heel veel gebracht: ik heb leren inzien hoe systemen werken en wat saamhorigheid betekent. Ik woonde antikraak en zat in de punkband Alles Umsonst, later omgedoopt in de Sundowners. Ik heb best een leuke stem, die heb ik van mijn moeder meegekregen; zij kon ook heel goed zingen. In mijn punktijd ben ik één keer door de politie opgepakt. Die wilde van mijn vader weten of ik zijn dochter was. Dat ontkende hij: ‘Haar ken ik niet.

Eeuwige schoonheid
Ik wilde altijd donker zijn als kind. Op school werd ik geconfronteerd met een meisje dat bij mij in de klas kwam, en zij was zo donker. Niemand wilde naast haar zitten. Maar ik stak meteen mijn vinger op. Ze heette Suzanne Power. Dat was voor mij magie. Ook haar huid: die voelde totaal anders aan. Wat wil ik graag jou zijn, dacht ik. Zij had het heel zwaar in Nederland. Toen is al het zaadje gelegd voor This Is Me. Tussen 1988 en 1995 maakte ik studiereizen naar Ierland, Spanje en Praag. Dat was een zoektocht naar mijzelf, mijn eigen ‘this is me’. Dat was best heftig, maar ik moest voelen waar mijn kracht ligt. Dat kan alleen door alleen te zijn en de diepte in te gaan. In Ierland heb ik hallucinerende tekeningen gemaakt. Mensen dachten dat ik gek was. ‘Waarom maak je dat soort dingen? Wat is er aan de hand met je?’ En dan moet je toch doorgaan, bij jezelf blijven. Veel vrouwen proberen te voldoen aan het beeld dat de maatschappij hen oplegt. Als ze vijfendertig zijn en in de kracht van hun leven zitten, moeten ze eigenlijk worden opgezet: dat is de eeuwige schoonheid. Verval wordt niet geaccepteerd, maar is onoverkomelijk. Dat maak ik zichtbaar in mijn boek Black Jack, dat over de zelfkant gaat. Het bevat eenentwintig werken over hoe ver mensen kunnen gaan op het gebied van cosmetische ingrepen. Ik heb vier borstbeelden van mezelf gemaakt met siliconenborsten en maskers op. Die borsten zijn zo idioot rond, het zijn net kokosnoten. Maar je ziet aan de rimpels
dat de aftakeling niet te stoppen is.”

Morgan Arrow
Drieëntwintig jaar geleden ontmoette ik mijn man, Jacob Sleper. Ik zat in een kraakpand, terwijl een projectontwikkelaar mij eruit wilde hebben. Hij zat in die vastgoedwereld. Het grappige is dat onze levens elkaar meerdere keren hebben geschampt: hij kwam in Amsterdam wonen in het jaar dat ik daar geboren werd; hij werkte in Hilversum, toen ik daar op school zat; en als punker had ik een straat van hem gekraakt. Samen hadden we een huishouden met negen kinderen. Hij nam er vier mee uit twee eerdere huwelijken, zelf had ik een dochter, we kregen samen twee kinderen en adopteerden nog twee jongens. Het is geweldig om zo’n groot gezin te hebben. Iedereen zou het kind in zichzelf moeten blijven koesteren. Helaas staat onze maatschappij dat niet toe. Anousjka kreeg ik toen ik in de vierde klas van de kunstacademie zat. Ik moest echt aan de bak: ik studeerde, werkte en voedde een kind op. Ik nam haar overal mee naartoe. Tegenwoordig is het leven makkelijker: ik verdien goed en bijna alle kinderen wonen op zichzelf.

Waar ik mijn geld aan uitgeef? Mijn man zoekt de kleding en sieraden voor me uit, daar ben ik niet zo in geïnteresseerd – ik leef in mijn overall. Wat ik leuk vind: auto’s! Ik heb een Morgan Arrow en een oude Jaguar S. Die Morgan is zo mooi! Alsof hij in één vloeiende beweging is gemaakt. Ik gebruik hem met mooi weer. Vind het ook leuk om uit te dagen, de race aan te gaan. Als ik voor een stoplicht sta en een andere auto komt naast me staan… Die Morgan is een monster, die gaat zo hard! En hij is helemaal dicht, net een Batmobile.”

Eigen signatuur
Ik wilde naar de kunstacademie, maar dat mocht niet van mijn vader. Dus moest ik het zelfstandig voor elkaar zien te boksen. Eerst diende ik een ton bij elkaar te sparen: de studie kostte 20.000 gulden per jaar. Ik had op een gegeven moment
wel drie baantjes tegelijkertijd. Het meeste verdiende ik door tweedehands serviezen bij Petrus Regout in Maastricht te kopen en die op de markt voor een hogere prijs te verkopen. Na negen jaar had ik het bedrag bij elkaar. Maar ik moest nog wel worden aangenomen. Ik had immers geen havodiploma. Wel had ik een imposante portefeuille, waarmee ik de commissie wilde overtuigen. Ik had schilderijen gemaakt van hoeren aan het Zandpad in Utrecht. Ik had simpelweg bij zo’n raamprostituee aangebeld en gevraagd of ze voor mij wilde poseren – ze zat daar toch al. Ik wilde weten wat het was om bekeken te worden, en op het gebied van seksualiteit hadden we van huis uit niet veel meegekregen. Ik settelde me buiten voor het raam, met een pet op en een grote hond naast me. Als het gordijn dichtging, kon ik mijn kwast tien minuten wegleggen. De commissie vond dat ik lef toonde en een heel eigen signatuur had, maar maakte er wel een probleem van dat ik niet over de vereiste papieren beschikte. Na flink aandringen mocht ik, ter compensatie, een toets doen in Nederlands, Engels… Die doorstond ik glansrijk. Van onze klas van vijfentwintig bleven er na twee studiejaren maar vier over, onder wie ik.

Zilveren leeuwen
Als kind was ik al bezig met het verzamelen van dingen, waar ik kunstobjecten van maakte. Alleen propte mijn moeder op vrijdag alles wat ik gemaakt had in een vuilniszak en zette die aan de kant van de weg. Ik moest mijn creaties dus heel erg beschermen. Ook mijn dagboeken. Die las mijn moeder voor als er vrienden op bezoek waren. Ik heb dan ook best wel een gezond wantrouwen, haha. Waar mijn passie voor kunst vandaan komt? Geen idee. Ik ben mijn hele leven al een doorgeefluikje. Het stroomt gewoon binnen – bam bam bam. Ik ben een surrealist. De vorm maakt niet uit: collages, porseleinen beelden, schilderijen, kleifiguren, installaties… Het is een reis van ervaringen, van gevoel. Die begin ik vanuit de natuur, dat is mijn bron – het ontstaan, het zijn. Vandaaruit haal ik mijn energie en kracht. Op de Academie voor Beeldende Kunst in Utrecht heb ik vooral geleerd om mijn frustraties niet met grote heftigheid uit te beelden, maar ze te transformeren naar iets positiefs. Een werk van mij kan er vrolijk uitzien en toch pijn bevatten. Neem bijvoorbeeld This Is Me, een sculptuur van een donker kind met een kroon op, geflankeerd door twee zilveren leeuwen. Dat gaat over onze zendingsdrang, de pijn die wij anderen hebben aangedaan. Wij hebben ons als monsters gedragen. Niet alleen andere volken, ook vrouwen worden al eeuwenlang door religie onderdrukt. Ik wil ze met mijn kunst wakker
maken. Dat heeft niets te maken met feminisme of emancipatie, maar met gelijkheid tussen mensen, tussen energieën. Ik geloof niet in God, maar wel heel erg in het licht.

Blauw paard
In 2004 heb ik een reis door China gemaakt, in een busje. Alleen groepsreizen werden toegestaan, maar dat was een makkie: met mijn kinderen had ik een groep, haha. Ik ging daar niet naartoe om vakantie te vieren, maar om het land in beeld te brengen. Ik heb mijn werk tentoongesteld en dat resulteerde erin dat ik in 2005 door een curator werd uitgenodigd om naar Mexico te komen. Daar heb ik in totaal drie jaar rondgereisd. Ik leerde Arturo García Bustos kennen, een van de ‘Los Fridos’, leerlingen die van Frida Kahlo les hebben gekregen. Hij zag mijn energie en zorgde dat ik overal toegang had. Ik heb een ode aan Frida Kahlo gebracht in de vorm van een kunstwerk met centraal een analoge foto van de dochters van Piet Hein Eek, die een sterke gelijkenis met haar toonden. Die tweeling was mijn cadeau aan haar, omdat zij na een ongeluk geen kinderen kon krijgen. Ik heb daar in acht musea mijn serie Dulce y Amargo tentoongesteld en lezingen gegeven. Ik praatte over het leven, over hoop. Dat ze moesten vechten voor hun bestaan, een revolutie moesten ontketenen. Bizar dat dat land wordt leeggehaald en zo onder de voet worden gelopen. Met een werk uit Mexico won ik in 2007 op de Biennale d’Arte Contemporanea in Florence de eerste prijs in de categorie ‘Sculptures and Installations’. Modestia is op het eerste gezicht een lieflijk tafereel: een levensgroot beeld van een blauw paard knielend tussen rozen, met een engelachtig kind op de rug. Maar daarachter schuilt een boodschap over de uitbuiting van het Mexicaanse volk. De prijs leverde mij veel uitnodigingen en tentoonstellingen op, vooral in het buitenland.

“Als kind was ik al bezig met het verzamelen van dingen, waar ik kunstobjecten van maakte. Alleen propte mijn moeder op vrijdag alles wat ik gemaakt had in een vuilniszak en zette die aan de kant van de weg. Ik moest mijn creaties dus heel erg beschermen. Ook mijn dagboeken. Die las mijn moeder voor als er vrienden op bezoek waren. Ik heb dan ook best wel een gezond wantrouwen, haha”

“In de kunstwereld worden heel veel luchtkastelen gebouwd, daar ga ik fel tegenin. Er wordt veel gekopieerd, nagedaan. Werk aan je eigen handschrift! Er zijn te veel werken die geen kader of inhoud hebben, er wordt maar wat gemaakt. Een echte kunstenaar heeft een roeping, is van nature een doorgeefluikje”

Zeven hoofden
Ik heb ook door India gereisd om het land in beelden te vangen. Van een tentoonstelling is het echter nooit gekomen, door de censuur. Ik had in Delhi een afspraak met de minister van Cultuur en liet hem mijn werk zien. Daar zat een sculptuur van Mahatma Gandhi tussen. Ik had hem naakt afgebeeld. Daarom keurde hij het af. ‘Geen politiek’, beet hij me toe. Ik kreeg gewoon hoofdpijn. Waarom hadden ze mij dan uitgenodigd? Ze weten toch dat ik een steen in de vijver ben, een rebels karakter dat de boel komt opschudden? Ze waren verliefd op mijn werk, maar hadden misschien iets verder moeten kijken. De minister van Cultuur wilde dat beeld van Gandhi van mij kopen. Ik denk om het te vernietigen – het mocht niet bestaan. Zo had ik ook een beeld gemaakt van een boeddha met zeven hoofden. Die bestaat, maar zit achter slot en grendel: het volk mag hem niet zien. Het beeld, dat aan mijn fantasie ontsproten is, is tijdens een kleine tentoonstelling aan gruzelementen geslagen. Ik word hartelijk ontvangen en als ik eenmaal binnen ben, gaan de gordijnen dicht en volgt er een ruzie en een strijd, dat wil je niet weten! Tijdens een lezing stond een professor op, een man van een jaar of tachtig, en die begon toch te schreeuwen: ‘Wie is zij die wat gaat vertellen over ons land? Wij staan boven het Westen!’ Toen hij klaar was, zei ik: ‘Wat jammer dat u zo schreeuwde, want als je schreeuwt, gaan de oren dicht. Dus niemand heeft u gehoord.’ Stond er een dame op die begon te applaudisseren. Die man liep woedend weg. Ik ben nog steeds dat meisje op de barricaden. Zelfs in Mexico en India kom ik in opstand tegen de gevestigde orde. In de kunstwereld worden heel veel luchtkastelen gebouwd, daar ga ik ook fel tegenin. Er wordt veel gekopieerd, nagedaan. Werk aan je eigen handschrift! Er zijn te veel werken die geen kader of inhoud hebben, er wordt maar wat gemaakt. Een echte kunstenaar heeft een roeping, is van nature dat doorgeefluikje. En dat van mij gaat voorlopig niet dicht. Ik ben geen hitje, het voelt alsof ik in de bloei van mijn leven sta.”

Fotografie: John van Helvert